Foto: Els Zweerink

Sheila Sitalsing

Sheila Sitalsing (Paramaribo, 1968) groeide deels in Suriname en deels op CuraƧao op en haalde een master algemene economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Ze werkte de afgelopen 27 jaar voor achtereenvolgens het Rotterdams Dagblad, Elsevier en de Volkskrant als onder meer financieel-economisch verslaggever, correspondent Europese Unie in Brussel, chef Economieredactie en politiek redacteur in Den Haag. Tussen 2009 en 2011 werkte ze in Suriname voor onder andere Starnieuws. Tegenwoordig werkt ze als freelancejournalist voor onder meer het radioprogramma Met het Oog op Morgen, het magazine Opzij en schrijft ze drie keer per week een column in de Volkskrant over politiek en economie. Voor die columns won ze de Heldringprijs voor beste columnist van Nederland. Met Hans Wansink schreef ze De Kiezer heeft Altijd Gelijk (2010, Nieuw Amsterdam Uitgevers). In 2016 verscheen van haar hand Mark, portret van een premier (Prometheus). Haar columns over coronajaar 2020 zijn gebundeld in Dagboek van een krankzinnig jaar (januari 2021, de Bezige Bij).

Nummer 3 in

  met

 11 % van de stemmen

Het zanddakje

 - Molanna angustata

Het zanddakje is een kokerjuffer, wat de benaming is van een jonge schietmot. Schietmotten zijn geen echte motten. Ze lijken wel een beetje op nachtvlinders, maar hebben haren op de vleugels in plaats van schubben. Volwassen schietmotmannen vliegen in zwermen rond op zoek naar vrouwen. Na het paren zet de vrouwelijke schietmot haar eitjes af in water. De larven die daaruit komen, heten dus kokerjuffers. Ze worden zo genoemd omdat veel soorten kokers of huisjes maken die enige bescherming bieden aan hun weke achterlijf. Dat achterlijf heeft kieuwen waarmee zuurstof wordt opgenomen als de larve peristaltische bewegingen maakt in de koker en zo het water daarin laat stromen. De voorkant van kokerjuffers is minder teer. De stevige kop wordt gebruikt als deksel wanneer de larve zich in de koker terugtrekt bij gevaar. Dreigt er geen gevaar, dan komen de kop en zes pootjes uit het huisje en wandelt de kokerjuffer over de bodem op zoek naar voedsel, dat kan bestaan uit planten, algen, organisch afval en prooidiertjes. Dat huisje wordt dus door de kokerjuffer zelf gemaakt. Het zanddakje gebruikt spinsel uit klieren in de kop om een fragiel ogend kunstwerkje van zandkorrels te bouwen, met een afdakje boven de kop. Het geheel valt volledig weg tegen de ondergrond.